Boekbespreking "Amor Roma"

Roman arts, sciences, architecture and literature, and the modern creative efforts inspired by them. This is the home of our famous Roleplaying Thread. >({|:-)

Moderator: Aldus Marius

Boekbespreking "Amor Roma"

Postby Quintus Pomponius Atticus on Sat Feb 19, 2005 4:37 pm

Boekbespreking : “Amor Roma”

De materie die aan bod komt in Amor-Roma. Liefde en erotiek in Rome. van Emiel Eyben, Christian Laes en Toon van Houdt is veel ruimer dan de wat catchy titel suggereert. Deel 1 is volledig gewijd aan de omgang met kinderen en in deel 3 worden de praktijken, normen en idealen m.b.t. het huwelijk en het gezin in Rome onder de loep genomen. Enkel deel 2 handelt stricto sensu over liefde en erotiek.

In elk deel krijgen we eerst een essay van een dertigtal pagina’s gepresenteerd, gevolgd door een bloemlezing van antieke teksten in vertaling. De bloemlezingen maken een coherente indruk en de fragmenten worden door een korte toelichting aan elkaar gebreid, doch zonder dat de auteurs de lezer de meerwaarde van het zelf interpreteren en vergelijken van de bronnen ontnemen door een eigen visie op te dringen.

Het palet aan uittreksels is zeer gevarieerd. Qua bronnentypes vinden we zowel ‘literaire bronnen’ (in de ruime zin waarin die term in de oude geschiedenis wordt gehanteerd) als inscripties en papyri. Binnen de literaire bronnen komt een veelheid aan genres en domeinen aan bod: historiografie, patristiek, vakliteratuur, filosofie, redekunst, komische teksten, poëzie, epistolografie en zelfs de geschriften van de fysiognomici en onirocritici.

Ook binnen elk genre of bronnentype werd gestreefd naar afwisseling, waarbij ook minder bekende auteurs aan bod komen. Naast Seneca en Cicero vinden we ook (en zelfs opvallend vaak) Musonius Rufus en Hiërocles, naast Hippocrates worden ook minder courant aan bod komende medici als Soranus en Muscio geciteerd. Bij de religieuze literatuur, die opvallend prominent aanwezig is, valt wel de overheersende rol van Augustinus en Johannes Chrysostomus op.

Toch waren net deze religieuze teksten uit de 3e en 4E eeuw voor mij dé ontdekking in dit boek. Vaak worden deze teksten niet, of bijzonder karig, opgenomen in werken over de “klassieke beschaving”, die nog steeds door velen al te sterk tegenover de “christelijke beschaving” van de late oudheid wordt afgezet. In de slotbeschouwing bij zijn essay in deel 1 merkt C. Laes echter, mijns inziens terecht, de grote continuïteit op in de omgang met kinderen in de oudheid (en later) : “De verandering – die dan nog langzaam optreedt - is pas te situeren aan het einde van de achttiende eeuw, wanneer technische ontwikkelingen een radicale ommekeer in het demografische regime veroorzaken” (p. 48.).

In dit citaat komt reeds naar voor wat ik als de grootste sterkte van dit boek heb ervaren : het feit dat de auteurs er steeds naar hebben gestreefd de feiten die we in de bronnen terugvinden te kaderen in de brede sociale, economische, demografische en culturele realiteit van de oudheid i.p.v. zich te bezondigen aan een oppervlakkige ‘veroordeling’ van praktijken uit de oudheid op basis van de normen en achtergronden van onze hedendaagse samenleving. Misschien is C. Laes’ opmerking dat “het vellen van morele oordelen niet de taak van de geschiedkundige [is]” een stap te ver in die richting, maar in elk geval is het zo dat de historicus éérst moet proberen te begrijpen vooraleer te (ver)oordelen.

Deze aandacht voor de contextualisering van het bronnenmateriaal uit zich al in het ‘Woord vooraf’, waarin de auteurs de aandacht vestigen op een aantal valkuilen waar bij het bestuderen van de mentaliteit van de antieken moet rekening gehouden woorden.

Naast de reeds vermelde aandacht voor de brede sociaal-economische context, die de auteurs ook expliciet als ‘programmapunt’ vermelden (p. 10-11), wordt eerst en vooral de misvatting aangekaart als zou de oudheid een soort “seksueel paradijs” zijn geweest en als zou eerst de opkomst van het christendom een culpabilisering en strikte normering van de seksualiteit met zich hebben meegebracht. Net zoals antropologen in de 19e eeuw vaak rapporteerden dat een bepaald ‘primitief’ volk ‘immoreel’ zou zijn omdat ze er nergens sporen van hun eigen moraal terugvonden, werd ook door historici soms beweerd dat het oude Rome op seksueel vlak immoreel, of beter nog amoreel, was, een beeld dat wijd verspreid is door allerlei ‘historische’ films en populariserende literatuur. Het is in elk geval een merite van de auteurs dat zij deze misvatting van bij het begin willen rechtzetten: “Het leven van Romeinen werd beheerst door culturele codes die wel anders, maar daarom niet minder streng waren” (p. 9). Voorbeelden hiervan komen verder in deze bespreking nog aan bod.

Verder wordt de lezer ook aangemaand de bronnen, die in het geval van de historicus steeds teksten zijn, altijd in hun literaire context te kaderen. “Romeinen drukken hun gevoelens doorgaans uit in een erg retorische, conventionele taal”, bemerken de samenstellers zeer terecht. Wie dat belangrijk feit over het hoofd ziet wordt inderdaad onherroepelijk op een dwaalspoor gezet, zoals o.a. aangetoond wordt met het voorbeeld van Plinius’ “liefdesbrief” aan zijn vrouw Calpurnia (p. 191-195).

C. Laes gaat in zijn essay bij deel 1 (“Ouders en kinderen”) origineel te werk door een “proces van de oudheid” te ensceneren, waarbij hij zowel de verdediging als de aanklacht op zich neemt. Origineel en toch weer niet, want dit procédé, dat bij de Romeinen bekend stond als altercatio in utramque partem, was een innovatie van de sofisten. Eerder dan de argumenten pro en contra een voor een op te sommen is het wat dit deel betreft misschien zinvoller in te gaan op het licht dat deze werkwijze werpt op de historische praktijk.

Door selectie en interpretatie van het bronnenmateriaal slaagt Laes er immers in voor de twee stellingen een bewijsvoering te ontwikkelen die in veel gevallen aannemelijk en degelijk onderbouwd klinkt. In zijn Inleiding tot de geschiedenis merkt G. Harmsen hierover op: “De verhalende vorm waarvan de geschiedschrijving zich al duizenden jaren bedient, suggereert een concreetheid waar in werkelijkheid juist sprake is van een hoge mate van abstractie. Het probleem waar de historicus voor staat is een juiste keuze te doen uit de historische feiten wanneer deze al te overvloedig zijn of, wanneer er juist van een grote schaarste gesproken moet worden, de wel beschikbare historische feiten op hun juiste gewicht te taxeren. Is een bepaald gegeven typisch voor de situatie waar het naar verwijst of viel het juist uit de toon?” .

In veel gevallen valt dit nauwelijks in te schatten, bv. wanneer we zowel bronnen aantreffen die getuigen van een grote liefde van ouders voor hun kinderen, als van een bijna schrijnende verwaarlozing. Vaak is in de mentaliteitsgeschiedenis de ars nesciendi aangewezen, of dient de historicus toch minstens de verschillende mogelijke versies, met hun pro’s en contra’s, te presenteren aan zijn lezers opdat deze zelf actief kunnen mee interpreteren, een doelstelling waarvoor het concept van dit boek (essays gevolgd door een bloemlezing) mijns inziens zeer geschikt is.

Wat het kaderen van de feiten in hun context betreft houden de auteurs woord. Zo wordt, om maar één voorbeeld te geven, de praktijk van het te vondeling leggen van kinderen in verband gebracht met het feit dat anticonceptiemiddelen zo goed als onbestaande waren, de abortusmethodes van toen vaak een dodelijke afloop hadden voor de vrouw en arme gezinnen vaak onmogelijk een extra mond konden voeden zonder ook de rest van het gezin aan honger bloot te stellen.
Behalve deze demografische feiten worden in dit eerste deel een breed scala van min of meer afzonderlijke onderwerpen behandeld : de materiele levensomstandigheden en – origineel – de repercussies daarvan op het dagelijks leven en de affectieve banden van de kinderen, de rouwgebruiken voor overleden kinderen, kinderen en slavernij, de elitemoraal (die openlijk misprijzend was voor de kindertijd als levensfase), de – met die moraal strijdige – trend bij de rijken om ‘knuffelslaafjes’ (deliciae) te houden, de realiteit van kinderarbeid in de oudheid en tot slot de vraag of het Christendom een ommekeer heeft bewerkstelligd in de houding t.o.v. kinderen, een vraag waarop de auteurs eerder ontkennend antwoorden.

Ook in het essay bij deel 2 (“Liefde, seks en sekserollen”), op naam van Toon Van Houdt, komen een veelheid aan invalshoeken aan bod. De centrale vraag waar het essay mee opent is die naar de mannelijkheid als norm, m.a.w. wat een man moest doen om als man te worden erkend, hoe dit hem concreet werd aangeleerd enz. In de face-to-face samenleving van de Romeinse elite was het ophouden en bevestigen van de eigen reputatie immers een integraal en gewichtig aspect van het dagelijkse leven. Het etaleren van de eigen mannelijkheid was daarbij een belangrijk element: in het aristocratische ethos werd deze immers geassocieerd met tal van roemrijke deugden (standvastigheid, grootmoedigheid, voornaamheid enz.), terwijl vrouwelijkheid synoniem stond met slapheid en losbandigheid.

Veel aandacht werd hierbij besteed aan het uiterlijk en de manifestaties van mannelijkheid daarin, vooral de gelaatstrekken en gebaren, die door de pseudo-wetenschap der fysiognomie bestudeerd werd. Conform de populariserende opzet van dit boek worden ontstaan, pioniers, doelstellingen enz. van deze ‘wetenschap’ (wat ze in de ogen van de antieken was) kort uit de doeken gedaan.

Het toppunt van schande voor een man, en een reden voor sociale uitstoting, was een verworven reputatie van verwijfdheid of – erger nog – de reputatie dat hij zich aan passieve seks te buiten ging. Meteen vinden we hier een illustratie bij de stelling in het voorwoord dat “Het leven van Romeinen werd beheerst door culturele codes die wel anders, maar daarom niet minder streng waren” (p. 9). Een Romeinse man kon zonder schroom bordelen afschuimen, het in zijn eigen huis aanleggen met slavinnen en slavenjongens (evenwel slechts tot hun baardgroei zich begon te ontwikkelen), maar dat hij daarbij de passieve rol op zich zou nemen was gewoonweg ondenkbaar.

In een volgend subhoofdstukje wordt de vraag gesteld of de elegische dichters, die zich in hun poëzie laten zien als radeloos verliefde zielen, hopeloos en hulpeloos verliefd en tot alles bereid om de gunsten van hun geliefde te winnen, ontsnappen aan dit dwingende keurslijf van normen en rollenpatronen. Een nadere analyse leert dat de passionele liefde van een man voor een vrouw als een literaire topos gold, waarop de dichter met inzet van al zijn virtuositeit en expressieve kracht kon variëren om zo in de smaak te vallen bij zijn lezers. Daardoor bevestigt de liefdeselegie dus eigenlijk zelfs het traditionele rollenpatroon: zelfs in de Latijnse liefdespoëzie fungeert de vrouw vooral als instrument van de seksuele en/of dichterlijke politiek van de man.

Heel expliciet hierin is Ovidius, in wiens werk de man naar voren komt als een sluwe, ietwat opdringerige veroveraar en de vrouw als een wezen dat door haar natuurlijke geilheid is voorbestemd om als zijn lustobject te fungeren. Seksueel genot is in zijn visie, en vermoedelijk in die van de Romeinen in het algemeen, het ultieme en volstrekt legitieme doel van een liefdesaffaire. Ook de afbeeldingen en opschriften die in Pompei werden teruggevonden laten wat dat betreft weinig aan de verbeelding over.

Toch bestond er ook, vooral vanaf de 1e – 2e eeuw n.C. een tegenstroom op het vlak van de liefdesmoraal, een ethisch reveil dat werd ingezet met de wetten en propaganda van vooral Augustus en versterkt en intellectueel onderbouwd werd door stoïcijnen als Musonius Rufus en Hierocles. De morele kwaliteiten van de voorouders, ook op seksueel vlak, werden door hen als voorbeeld voor hun tijdgenoten voorgehouden. Tot voorbeeld werd een hecht, kroostrijk en stabiel gezin gesteld. De late Stoïcijnen propageerden dus affectie en een grotere mate van gelijkheid tussen man en vrouw (ze vonden bv. dat vreemdgaan ook voor mannen moreel verwerpelijk is), maar voor passionele liefde is er ook bij hen weinig plaats. Een romantische huwelijksvisie waarin zowel lichaam als geest een plaats hebben, vinden we in de klassieke oudheid eigenlijk enkel terug bij Plutarchus.

De meeste vroegchristelijke denkers voelden zich meer aangesproken door de gestrengheid van Musonius en Hierocles, hoewel sommigen zelfs deze conservatieve stoïcijnen te laks vonden. Ze ontwikkelden een seksuele moraal die strenger en dwingender werd en die vanaf Constantijn d.m.v. wetten werd opgelegd aan iedereen. Seksueel contact buiten het huwelijk werd niet alleen, zoals in de late Stoa, moreel lakbaar geacht maar ook wettelijk strafbaar gemaakt. Homoseksualiteit werd als pervers en tegennatuurlijk veroordeeld. Seksualiteit op zich werd daarenboven meer en meer als een noodzakelijk kwaad gezien, wat tot een opwaardering van de seksuele onthouding leidde: maagdelijkheid, kuisheid en het niet hertrouwen na het overlijden van een partner werd aangemoedigd, met als doel meer plaats te maken voor God.

Aan het essay van deel 3 (“Huwelijk en gezin”) schreven de drie auteurs gezamenlijk. Ze beginnen met erop te wijzen dat ook de Romeinen het kerngezin als hoeksteen van de maatschappij beschouwden, maar we ons dit toch anders moeten voorstellen dan bij ons. Kort samengevat a) werden seksueel genot en passionele liefde niet meteen met een geslaagd huwelijk geassocieerd, b) was het huwelijk voor de Romeinen geen rechtsaangelegenheid maar een privé-zaak en c) was het huwelijk geen ‘morele’ keuze maar een kwestie van sociale en juridische status.

Na deze nuancering volgt een opstel waar de gebruiken, richtlijnen en riten rond het huwelijk worden behandeld: de verloving, de voorwaarden voor een iustum matrimonium, aard en betekenis van de bruidschat en de bepalingen van de wet hieromtrent, het onderscheid tussen een huwelijk cum manu en sine manu, de wijzen van huwelijkssluiting (confarreatio, coemptio, usus), het verloop van de huwelijksdag met zijn ceremonies en symboliek enz.

Een volgend, uiterst interessant essay, dat de link legt tussen de sociale- en de mentaliteitsgeschiedenis, gaat in op de ‘psychosociale realiteit van het Romeinse huwelijk’. Het huwelijk was voor de Romeinen immers geen individuele, maar een familiale en soms zelfs politieke aangelegenheid. Factoren als rijkdom, reputatie, relaties afkomst en karakter waren bij de partnerkeuze dan ook van doorslaggevend belang.

Romantische liefde binnen het huwelijk kwam natuurlijk voor, maar de emotionele verwachtingen lagen toch enigszins anders dan in onze samenleving, onder meer door toedoen van de demografische realiteit. Vrouwen liepen bij elke bevalling een groot risico te sterven in het kraambed. Overleefden ze hun bevallingen, dan werden ze dikwijls vroeg weduwe, gezien het vaak grote leeftijdsverschil tussen de echtelieden. Huwelijken waren dus breekbaar en er werd veel hertrouwd, waardoor verwarrende situaties konden voorkomen, bv. dat stiefmoeders leeftijdsgenoten waren van hun stiefkinderen of dat kinderen uit een 2e huwelijk de leeftijd hadden van kleinkinderen uit een 1e huwelijk.

Een toonbeeld van een stabiel en liefderijk huwelijk lijkt wel dat van Plinius de Jongere, van wie we een brief overgeleverd hebben (Ep. 7.5), die een onverholen liefdesverklaring lijkt te zijn die getuigt van een veranderde mentaliteit en huwelijksmoraal. Veyne, Rousselle e.a. beweren echter dat dit niet meer is dan een uiting van een pseudo-ethiek, waarin dwepen met de hechtheid van de eigen huwelijksband als bon ton werd aanzien. Het feit dat Plinius’ brieven bedoeld waren voor publicatie en de vaststelling dat ze een subtiel weefsel vormen van intertekstualiteit (elementen uit de elegie e.a. topoi komen voor) ondersteunen inderdaad enigszins die redenering.

De houding van de late stoïcijnen t.o.v. het huwelijk is ontegensprekelijk ambivalent te noemen. Musonius noch Hiërocles stellen de superioriteit van de man over zijn vrouw in vraag maar toch verschijnt de vrouw bij hen als een volwaardig menselijk wezen, dat over dezelfde rationele vermogens en hetzelfde ‘morele potentieel’ beschikt als de man. Vanuit die optiek verwerpt Musonius dan ook het traditionele rollenpatroon, waarin Hiërocles hem gedeeltelijk volgt.

Ook zijn de late stoïcijnen het er over eens dat lichamelijke gezondheid en morele kwaliteiten de doorslag moeten geven bij de keuze van een echtgenote, eerder dan ‘indifferente’ zaken zoals rijkdom, afkomst en schoonheid. Een te grote aandacht voor uiterlijkheden zien ze dan ook als een van de oorzaken van het failliet van een huwelijk, naast een te egoïstische opstelling of het feit dat de man zijn echtgenote onvoldoende opleidt en leiding geeft, een taak die minder verrassend is dan ze voor ons lijkt als we ons de jonge leeftijd herinneren waarop meisjes in het huwelijk traden. Kritiek op deze grote verschillen in huwelijksleeftijd of op de praktijk van het uithuwelijken is ook bij deze late stoïcijnen onbestaand.

Er waren natuurlijk ook ongehuwden, deels omdat het voor een arme man niet gemakkelijk was een gezin te onderhouden, deels doordat er een overschot aan huwbare mannen bestond wegens het vaker te vondeling leggen van meisjes.

Onder de filosofen bestond er verdeeldheid rond de vraag het huwelijk verkieslijk was voor de wijze of niet. Epictetus vreest dat een gehuwde filosoof te zeer in beslag wordt genomen door huiselijke beslommeringen om een volwaardig ‘wijs’ leven te leiden. Musonius Rufus en Hierocles daarentegen zijn fervente verdedigers van het huwelijk, dat volgens hen een instituut is dat in overeenstemming is met de natuur (hét waardecriterium van de stoïcijnen) en dat bovendien een plicht is tegenover de familie, het menselijk geslacht, de maatschappij en de goden. Bovendien, schrijven ze, is het hebben van een vrouw en vooral kinderen ook nog nuttig voor de oude dag; een utilitair, maar niet zo verbazend argument, gezien de afwezigheid van publieke ouderdomsvoorzieningen in de antieke wereld. Een stabiel en gelukkig huwelijk vergemakkelijkt in de optiek van deze denkers het leven en verdrijft eenzaamheid en zorgen. Het huwelijk verschijnt bij hen aldus als een echte levens- en zielsgemeenschap.

Ook de houding van het vroege christendom is dubbelzinnig. Van belang is natuurlijk de introductie van andere morele waarden en idealen, zoals de veroordeling van echtscheiding en de aanmoediging tot celibaat en onthouding. De aanmoediging aan weduwen om niet te hertrouwen grijpt wel terug op een moreel concept dat al bij de heidenen bekend was, nl. het ideaal van de univira, de vrouw die maar één man heeft gehad. Bij een aantal auteurs, zoals bv. Tertullianus, Hieronymus of Johannes Chrysostomus, vinden we dan weer een ondubbelzinnige veroordeling en virulente afkeer van huwelijk en voortplanting. Vooral in bepaalde Christelijke en gnostische sekten wordt dit tot in het extreme doorgetrokken. Toch is er geen sprake van een absoluut keerpunt in de moraal en sluiten de Kerkvaders op veel vlakken wel aan bij de late Stoïcijnen.

Toch zijn ook de zeer ‘negatieve’ teksten interessant omdat ze ons een unieke kijk geven op de soms schrille realiteit van het huwelijk: de onervarenheid van piepjonge echtgenotes, het gebrek aan liefde tussen de huwelijkspartners, de gevaren van de zwangerschap, de vele vroege overlijdens binnen de familie enz.

Een interessante vraag is in hoeverre deze christelijke stromingen een invloed hebben gehad op de praktijk in het dagelijkse leven van de late oudheid. Net zoals m.b.t. de houding t.o.v. kinderen besluiten de auteurs dat er weinig fundamenteel veranderde en dat de veranderingen die plaatsvonden niet noodzakelijk aan het christendom toe te schrijven zijn.

Zo was in de wetten van Constantijn echtbreuk van de man geen reden voor een scheiding, ondanks de scherpe veroordeling van vreemdgaan door het christendom. Ook het grote verschil in huwelijksleeftijd tussen man en vrouw bleef bestaan (hoogstens huwden de mannen iets vroeger dan tevoren). Huwelijken bleven daarnaast een aangelegenheid die gearrangeerd werd door de families en onverminderd bleef daarbij ook het belang dat werd gehecht aan het voortzetten van de naam en het beheer van het familiepatrimonium. Slaven en slavinnen stonden ook in de ‘christelijke oudheid’ nog steeds als vanzelfsprekend seksueel ter beschikking van hun meester.

Al deze continuïteiten kunnen eenvoudig verklaard worden door te verwijzen naar het feit dat de demografische, biologische, sociale, economische, juridische gegevenheden van de late oudheid amper verschilden van die tijdens de ‘klassieke’ periode.

Tot slot nog een aantal ‘technische’ opmerkingen over de presentatie en afwerking van dit boek. De druk is foutloos en verzorgd en de illustraties zijn functioneel en vaak verhelderend. Het notenapparaat en de bibliografie, die aantonen dat de auteurs zich hebben gebaseerd op een breed palet aan recente literatuur, zijn uitvoerig.

Als eindbeoordeling kan ik stellen dat dit boek voor mij een zeer positieve leeservaring is geweest en dat het mij absoluut een aanrader lijkt voor zowel de student als de geïnteresseerde ‘leek’.
Quintus Pomponius Atticus
Praetor

"Ars longa, vita brevis" - Hippocrates
Quintus Pomponius Atticus
Senator
Senator
 
Posts: 500
Joined: Wed Aug 28, 2002 6:03 pm
Location: Belgica

Return to Collegium Artium et Litterarum

Who is online

Users browsing this forum: No registered users and 2 guests

cron